Verbaasd liet ik hem zijn gang gaan; een kerel als hij, zo mannelijk en zelfverzekerd, wilde mijn haren schikken? Ik voelde hoe zijn handen mijn haar aanraakten en er liep een huivering over mijn rug.

Hij pakte mijn lokken vast en liet ze losjes neervallen, zodat ze als een sluier over mijn kraag en capuchon vielen. ‘Wat een rijkdom,’ mompelde hij. ‘Je toekomstige man zal zich erin verheugen.’

Hij liet mijn hart gloeien van vreugde en trots, al was het onwaarschijnlijk dat er nog een man om mijn hand zou komen vragen. Een serieuze kandidaat, althans. Bens lenige vingers streken mijn haren naar achteren en draaiden ze vervolgens in een losse wrong in mijn hals. Daarna sloeg hij de capuchon eroverheen. ‘Zo beter?’

Ik glimlachte. ‘Eventjes zal het wel blijven zitten.’

Er kwamen stemmen uit de straat en al gauw kwam er een groep mensen aan, dronken zo te horen. Voor mensen in beschonken toestand was ik bang, omdat ze onberekenbaar waren. Ben ging voor me staan, zijn gezicht naar de straat, zich zo breed mogelijk makend. Beiden droegen we donkere kleding en ik deed een schietgebedje dat we niet zouden opvallen, want koppeltjes waren altijd een geliefd onderwerp van pesterij. Gelukkig liep het rumoerige gezelschap ons zonder ons op te merken, voorbij en ging de Molenstraat in. Ik kroop weer achter Bens rug vandaan.

‘Neem me niet kwalijk dat ik u net tutoyeerde,’ begon hij formeel, maar ik wuifde met mijn hand en zei:

‘Indien men een vrouw heeft gekust, mag men haar ook tutoyeren.’

Hij lachte even. ‘Is dat zo? Maar als je het hinderlijk vindt, doe ik het natuurlijk niet.’

Ik was even uit de portiek gestapt om te kijken of Harrie er nog niet aankwam en ging weer naast hem staan. ‘Nee, ik vind dit prettiger, dan kan ik je ook Ben noemen.’ Want zo dacht ik aan hem.

‘Mag ik je wel Djem noemen, zoals je zuster, op zijn Engels uitgesproken? Of wil je Gemma genoemd worden op zijn Nederlands?’

‘Doe wat in je opkomt.’ Het liefst wilde ik dat hij me altijd Djem noemde, met zo’n heerlijke keelklank alsof ik iets bijzonders voor hem betekende.

Het was even stil en toen hoorden we een onregelmatig geklos aankomen vanuit de richting van de Plekhoek. Gelijktijdig keken we elkaar aan.

‘Harrie!’ fluisterde ik en Ben knikte. Zoals hij nu stond, kon ik zijn ogen zien in het lamplicht. Helder en waaks. Gladgeschoren zou hij zeker even knap zijn als met baard. Ineens keek hij me aan, en zijn blik werd zacht. ‘Ik denk dat we weer moeten doen alsof we een kussend paartje zijn. Dan kan ik hem in de gaten houden zonder dat hij het merkt. Wil je even tegen de zijkant van de portiek leunen?’

Ik deed wat hij zei, terwijl de klossende voetstappen steeds dichterbij kwamen.

Ben steunde met zijn rechterhand boven mijn schouder op de betimmering achter me, en boog zich naar me toe, zodat hij vanonder zijn arm opzij kon spieden. ‘Hij is het,’ fluisterde hij bijna onhoorbaar en keek me toen van dichtbij aan.

Terwijl ik terugkeek, wenste ik met heel mijn hart dat hij me opnieuw zou kussen. Ik zag zijn blik intenser worden en er vlamde iets in me op. Iets dat me ongetwijfeld uitdagend liet kijken en toen hij met een gesmoord geluid zijn mond op de mijne drukte, weken mijn lippen als vanzelf uiteen. Een beetje maar, maar genoeg voor Ben om er een hartstochtelijke kus van te maken die me deed wankelen op mijn benen. Zijn lippen deden zalige dingen met de mijne en de kriebels doken recht naar beneden, naar mijn buik. Mijn vingers klemden zich om zijn revers en kropen toen omhoog naar zijn schouders en hals om in zijn haar te verdwijnen. Weer liet hij me alles vergeten, tot het ineens tot me doordrong dat we Harrie uit het oog verloren.

‘Mm!’ protesteerde ik gesmoord en ik duwde hem een eindje weg. ‘Harrie!’

Met een lelijk woord schoot Ben recht. Toen we het Stratums Eind inkeken, bleek Harrie verdwenen te zijn. Waarschijnlijk het steegje van de Smalle Haven in geslagen. Ben nam me bij mijn arm en fluisterde gedreven: ‘Kom! We gaan ook de Smalle Haven in. Als we hem onderweg zien staan, lopen we gewoon door en duiken daarna een steegje in of een plaatsje op.’

Gearmd sloegen we het straatje in. In de verte zagen we Harrie lopen, met zijn waggelende gang. In versnelde pas, maar zo stil mogelijk, gingen we hem achterna. Op de hoek aangekomen, liepen we weer op normale wandelsnelheid de Kloosterdreef in. De eerste die we daar tegenkwamen, was Harrie, die tegen een gevel geleund een slok nam van een zakflacon. Ik schrok, maar Ben drukte mijn arm en liet me in hetzelfde tempo doorlopen. We mompelden een groet en Harrie bromde wat terug. Al gauw volgde hij ons zonder ons in te halen. Mijn nekharen stonden intussen overeind, al vertelde ik mezelf dat Harrie nog geen reden had om ons aan het mes te rijgen.

‘Zo, we zijn er bijna,’ zei Ben hardop en ik stelde me in op een koerswijziging. Met een armdrukje maakte hij me duidelijk dat hij rechtsaf wilde gaan en we doken onder een poortje door. Zonder halt te houden, liepen we door tot Harrie de poort voorbij was geklost.

Zodra zijn voetstappen ver genoeg verwijderd waren, slopen we zo geruisloos mogelijk weer terug naar de Kloosterdreef.

Ben keek om de hoek en wachtte even. ‘Ja, hij is het achterpad ingegaan naar het Genderstraatje. We moeten nu wel doorlopen, anders raken we hem kwijt.’ Opnieuw liepen we snel, maar op lichte voeten verder. Aan het begin van het pad, dat op het Genderstraatje uitkwam, liet Ben me wachten achter een heester in een grote tuin. ‘Deze keer ga ik alleen, anders valt het te veel op.’ Hij stak zijn pet weg in zijn jasje en haalde een bijna platte zwarte cilinder tevoorschijn. Met een klap was het een hoge hoed geworden die hij opzette. ‘Voor een ander silhouet.’ Hij nam een rechte houding aan. ‘Blijf hier wachten tot ik je kom halen.’

Ik vroeg me af hoe hij dat wilde doen, tegelijkertijd Harrie achtervolgen en terugkomen om mij te halen. Omdat mijn maag leeg was geworden, gebruikte ik de tijd om snel een krentenbol op te eten. Na een paar minuten begreep ik dat Ben de achtervolging van onze verdachte in zijn eentje voortzette. Dus dát was de manier waarop meneer Hoytsma mij wilde beschermen! Nijdig sloeg ik mijn capuchon naar achteren en trok het witte mutsje over mijn loshangende haren terwijl ik mezelf wijsmaakte dat ik nu van een afstand ook een ietwat veranderd silhouet had. Haastig liep ik door het Genderstraatje, dat naar de achterkant van de bebouwing aan de Nieuwstraat voerde. Denkend aan Harries mes gingen mijn voeten steeds sneller. Achter de huizen aangekomen sloop ik over het achterpad naar Sara’s grondgebied. Aan het eind van haar tuin stond hun koetshuis met daarnaast een poortje. Ik tuurde in het donker het pad af en zag nog net een figuur door de poortopening de tuin inglippen. Ben of Harrie? Meteen verdubbelde ik mijn snelheid. Op dat moment hoorde ik de geluiden van een worsteling. Gehijg en gestommel, een plantenpot die brak en een zware plof alsof iemand neerviel. Ik keek de tuin in en zag een paar meter voor me een gestalte op de grond liggen, in elkaar gezakt alsof hij bewusteloos was. Een figuur ernaast boog zich over hem heen en hief een hand op waarin iets blikkerde. In een flits begreep ik dat het Harrie was met zijn mes in zijn handen en ik gooide me naar voren, tegen hem aan, terwijl ik wanhopig uitriep: ‘Nee!’

Harrie tuimelde omver en dreunde met zijn hoofd tegen Sara’s oude appelboom. Het klonk alsof zijn schedel kraakte, maar ik was alleen geïnteresseerd in Ben. Op mijn knieën viel ik naast hem neer en begon aan zijn schouders te schudden. ‘Ben! Ben! Leef je nog?’

Hij kreunde en schudde met zijn hoofd. Toen hij zijn ogen opsloeg, keek hij me even wezenloos aan en richtte daarna zijn blik op een punt boven me. ‘Pas op!’ Hij stak zijn handen naar me uit.

Maar terwijl hij me bij mijn armen pakte, kreeg ik een klap op mijn rug en voelde ik iets scherps onder mijn linkerschouderblad prikken. ‘Au!’ Meteen daarop trok Ben me opzij.

Daarna veerde hij omhoog en wierp zich op Harrie. Snel kwam ik ook overeind, maar Ben kon Harrie met zijn vuisten gemakkelijk de baas en sloeg hem met een paar rake klappen bewusteloos. Hijgend sleepte hij daarna de inbreker het koetshuis binnen en zette hem met handboeien vast aan de tralies van de paardenstal, om vervolgens de buitendeuren met een balk te barricaderen. ‘Zo, dat houdt wel even.' Hij voelde met zijn hand aan zijn hoofd.

Ik had al die tijd met gebalde vuisten toegekeken en ontwaakte nu uit mijn verstarring. ‘Wat is er, ben je gewond?’

‘Het bloedt, geloof ik, vanwege die bloempot die mijn hoofd schampte...’

‘Kom mee!’ Ik pakte zijn arm en trok hem mee naar het huis. Daar haalde ik de sleutel uit het vogelhuisje naast het keukenraam en ontsloot de achterdeur.

‘Niet bepaald een veilige plek voor een sleutel,’ mompelde de gewezen politieman. Binnen stak ik met trillende handen de gaslamp aan. Hoofd koel houden, zei ik tegen mezelf. Je bent geen juffer die flauwvalt bij het zien van een beetje bloed! Ik pakte een schone theedoek uit de kast en hield hem onder de kraan, terwijl Ben op een keukenstoel was gaan zitten met zijn hoofd in zijn handen. Voorzichtig drukte ik de doek tegen de wond en depte het bloed weg om te zien hoe ernstig de wond was. ‘De diepte valt mee, maar die klap kan lelijke gevolgen hebben. Ben je duizelig? Zie je vlekken? Hoofdpijn?’

‘Alleen hoofdpijn. En een enorm beschadigd ego, omdat ik me als een groentje door die smeerlap te pakken heb laten nemen.’

‘Ik had je voor hem gewaarschuwd,’ kon ik niet nalaten op te merken.

‘Ik had inderdaad beter moeten weten. Het is niet de eerste keer dat ik meemaak dat een gemoedelijke Brabander vernoemens fel kan worden,’ antwoordde hij tussen zijn tanden door. ‘Niet te geloven, rund dat ik ben. En het ergste is dat straks het hele politiekorps van Eindhoven ervan weet.’

‘Je moet ze zo maar bellen, dan zal ik intussen hoofdpijnpoeders opzoeken. Maar eerst ga ik het fornuis wat opporren, het is hier ijskoud.’ Terwijl ik me over het fornuis boog en de kooltjes opstookte, voelde ik weer een scherpe prik in mijn rug. ‘Au! Wat is dat toch?’

Ik keek over mijn schouder en zag Ben vol afgrijzen naar me staren. ‘Gemma, er steekt een mes in je rug!’

‘O, is dát het wat pijn doet,’ was mijn onnozele reactie en ik probeerde in het wandspiegeltje naar mijn rug te kijken. ‘Hij zit niet in mijn rug, maar in mijn moeders korset…’ Dat was die klap geweest. De punt van het mes prikte waarschijnlijk nog net in mijn huid. Met een schok realiseerde me dat ik dood had kunnen zijn, als ik mama’s korset met de metalen baleinen niet had gedragen en me niet had ingezwachteld met een dikke molton. Bevend liet ik me op een krukje zakken en hield me aan de keukentafel vast. Ik keek omhoog naar Ben die was opgesprongen, zijn gezicht nog witter dan daarnet.

‘Je moet je ontkleden om te kijken hoe ernstig het is! Straks bloed je leeg in die molton. We moeten alles in één keer losmaken en van je aftillen om te bewaren als bewijs.’

Met trillende vingers ontdeed ik me van mijn lagen door eerst de sluitingen los te maken van de cape, het jakje en de blouse. Ik begon me steeds bloter te voelen. Op het laatst haakte ik mama’s ouderwetse korset los. Ben tilde alles met mes en al van me af, om de lagen daarna in een keer over een keukenstoel te hangen, waarbij het korset op de zetel rustte. Vervolgens sloeg hij zorgzaam Jos’ oude omslagdoek over mijn schouders. ‘Die molton moet ook af.'

Ik aarzelde. Onder de molton droeg ik alleen nog mijn onderlijfje en onderhemd, moest ik nu nog meer uitdoen?

‘Het moet, Djem,’ zei hij ernstig. ‘We weten niet hoe diep het mes je heeft geraakt.’

Zuchtend en met rode wangen begon ik de molton af te wikkelen, terwijl hij achter me ging staan.

‘Er zit een bloedvlek op je hemd. Mijn hemel, wat heb ik je aangedaan?’ zei hij hees. ‘Ga door, schuif je onderlijfje en je hemd maar over je schouders naar beneden. Let maar niet op mij, ik heb tientallen blote vrouwen gezien in mijn loopbaan en bekijk je zoals een arts dat zou doen.'

Ik verstarde. Over mijn schouders naar beneden schuiven? Moest alles dan open en bloot getoond worden? Ik was gezegend met een flinke boezem en hield al niet van jurken met lage schouders en een diep decolleté, maar dit was nog erger. Als die doek van mijn schouders gleed, zat ik zo goed als naakt. ‘Ik heb liever dat je mijn hemd optilt aan de achterkant.’ Ik maakte de eerste knoop van mijn rok los en trok mijn onderhemd van achteren uit mijn rok.

Hij zuchtte en greep de zoom van het kledingstuk vast. ‘Zoals je wilt.’ Voorzichtig trok hij mijn hemd omhoog en een kreun ontsnapte hem. ‘O, Djem!’

‘Wat is er?’ vroeg ik verbaasd. ‘Is het zo erg? Zo voelt het niet.’

‘Ja, nee… Ik… Het valt mee. Ik kijk even hoe diep de snee is, dat kan pijn doen.’

Ik voelde hoe zijn vingers mijn huid aanraakten en de weemakende pijn die erop volgde, liet me mijn tanden op elkaar zetten.

‘Gelukkig,’ zuchtte hij. ‘Het valt mee. Ik zal zo ook de dokter bellen, dan kan hij bij ons beiden de wond verzorgen.’ Hij trok het hemd weer naar beneden en schikte de omslagdoek over mijn rug, terwijl ik voor de punten over mijn boezem kruiste en in mijn rok stopte. Zo was ik redelijk bedekt.

Ben kwam op een stoel voor me zitten en pakte mijn handen beet. ‘Ik had je nooit, nooit mee mogen nemen op zo’n onderneming als vanavond. Je had letterlijk doodgestoken kunnen worden.’ Zijn ijsblauwe ogen keken me vol wroeging aan.

Ik opende mijn mond om te vertellen dat voor hem hetzelfde gold, toen ik me realiseerde dat hij nog niet wist dat ik Harrie en zijn mes bij hem had weggeduwd, terwijl hij bewusteloos was. En ik ging het hem nu niet vertellen. Dat zou hem nog verder vernederen, zeker als zijn vroegere collega’s het te weten kwamen. ‘Dat stukje uitgezonderd heb ik van elke minuut genoten,’ flapte ik er daarvoor in de plaats uit.

Even zag ik een lach in zijn ogen verschijnen, maar toen werd hij weer ernstig. ‘Waarom ben je niet in die tuin blijven staan, Gemma? Ik liet je daar niet voor niets achter.’

‘Ik ben je hondje niet, dat je ergens kunt vastbinden,’ antwoordde ik vinnig en realiseerde me dat hij dan nu misschien dood was geweest. Bij die gedachte maakte ik mijn rechterhand los en streelde over zijn wang, terwijl ik mompelde: ‘Die bakkebaarden staan je helemaal niet.’

‘Het is een vermomming, ik scheer straks alles af.’ Weer waren er lichtjes in zijn ogen verschenen.

‘En dan, laat je dan je baard weer staan?’ vroeg ik iets te hoopvol.

‘Zou je dat leuk vinden?’ Hij trok een wenkbrauw op en ik realiseerde me dat hij met me zat te flirten. Ik kon er bijna geen weerstand aan bieden. ‘Ik denk dat een gladgeschoren gezicht je net zo goed zal staan als een baard. Maar… wat zullen we zo tegen de politie zeggen? Jij achtervolgde Harrie en ik kwam van huis en liep achterom naar Sara’s keuken, zoals ik wel vaker doe. In de tuin trof ik jou aan en ik boog me over je heen.’

Ik zag de schaamte in zijn ogen kruipen en hij keek even weg. ‘Moet dat erbij?’

‘Ja, hoe komt anders dat mes in mijn korset? Ik vind dat Harrie daarvoor aangeklaagd moet worden. En trouwens, wil je als oud-politieman je collega’s wat wijsmaken?’

‘Och, dat wordt wel vaker gedaan om mensen te beschermen…’

We dachten allebei na.

‘Ik weet het,’ zei ik. ‘Jullie waren in gevecht en ik kwam tussenbeide. Daarna stak hij me met een mes in mijn rug. Dan ben ik de bemoeizuchtige, impulsieve vrouw die zich tussen twee vechtende mannen werpt en vervolgens haar rug naar de vijand keert. Alle aandacht gaat naar mijn eigenzinnige gedrag en jij komt er goed vanaf. Niemand hoeft te weten dat je knock-out was van die klap.’ En in feite was het ook zo gegaan, maar dat wist Ben nog niet.

Ben knikte nadenkend.

Er schoot me iets anders te binnen. ‘Als je de politie en de dokter belt, moet ik me omkleden voordat ze hier zijn, anders is mijn naam definitief te grabbel gegooid.’

Fronsend keek hij naar de kleding op de stoel en daarna naar mijn rok. ‘Ja, die vermomming kunnen ze beter niet te zien krijgen. Je bovenkleding moet zo blijven als bewijsstuk. Maar die blouse, het jakje en de cape zijn redelijk gewoon. Het zijn die molton en de boerenrokken en schoenen die de verbazing en achterdocht zullen opwekken.’

Ik kwam overeind. ‘Ik ga wat van Sara aandoen. Ze is kleiner en ronder dan ik, maar iets zal me wel passen.’

We stonden tegenover elkaar met dertig centimeter tussen ons in. Ik voelde me weer beven vanbinnen, maar niet van schrik. In een opwelling vroeg ik: ‘Waarom kreunde je net: ‘O, Djem!’ toen je mijn onderhemd omhooghield?’

Zijn ogen leken wat donkerder te worden en gleden weer weg. ‘O, eh… Ik ben toch niet zo’n koele als ik dacht, als het om een blote vrouwenrug gaat. Vooral niet als het zo’n mooi exemplaar betreft als die van jou.’ Hij keek me weer aan. Zijn blik bestond uit één deel verlegenheid en drie delen verleiding, een zeer verlokkend recept. Ik bedacht dat ik best nog eens door hem gekust wilde worden en leunde een beetje naar hem toe.

Spijtig schudde hij zijn hoofd. ‘We moeten nuchter blijven... Al lust ik nu wel een slok van die thee met rum van je.’ Hij bukte zich om mijn capezakken te doorzoeken en haalde al mijn spullen eruit.

Teleurgesteld draaide ik me om naar de deur. ‘Ik ga me omkleden… tot zo.’

‘Vergeet je haren niet opnieuw op te steken, Anna Boleyn,’ hoorde ik hem nog pesterig zeggen.

O, dat vreselijke mutsje! Met een lelijk woord griste ik het van mijn hoofd. Als ik dat ding niet had opgehad, had hij me misschien wel gekust!

 

Hoofdstuk 4

Boven kleedde ik me haastig om in een rok en blouse van Sara, die ik al eens eerder had gedragen. Haar kleine laarsjes pasten me helaas niet en ik zocht net zo lang tot ik achter in de kast een groter paar vond. Ik stak snel mijn haar op voor de spiegel en liep, pijnlijke grimassen trekkend vanwege de toch nog te kleine laarzen, de trap af. Beneden aangekomen hoorde ik Ben net het telefoongesprek met de dokter beëindigen. Ik ging de keuken in, het enige verwarmde vertrek in huis en zette een ketel met water op het fornuis. Toen ik me omdraaide, stond Ben bij de keukendeur met zijn armen over elkaar gekruist me goedkeurend op te nemen. ‘Zo zie je er veel mooier uit. Ik heb de kachels in de eetkamer en salon opgepord, voor straks. Eerst ga ik even bij Harrie kijken, of hij geen rare dingen uithaalt.’ Ben dook de koude in, maar was al snel weer terug. ‘Hij heeft een aardig repertoire aan scheldwoorden, dus het zal wel goed met hem gaan.’ Hij had twee verloren voorwerpen meegenomen uit de tuin, zijn revolver en zijn hoed. Zijn revolver ontdeed hij van kogels en hij stak hem in zijn broekzak, zijn cilinderhoed klopte hij af met zijn hand.

 

 

Ik had nog maar net koffie gezet toen het huis ineens vol was met politiemensen, die voortdurend met hun sabels tegen Sara’s nieuwe meubilair aan liepen. Tobias zou het hun niet in dank afnemen. Ook de dokter verscheen. Terwijl Ben de politiemannen in de eetkamer vertelde over de vechtpartij, zat ik in de salon waar de arts mijn wond verzorgde.

‘U hebt veel geluk gehad, mevrouw. Men moet zich nooit tussen twee vechtende mannen opstellen en al helemaal niet als vrouw…’

Ik beet op mijn lip om niets terug te zeggen.

‘Maar dapper vind ik u wel!’ zei hij toen onverwacht. ‘Misschien hebt u meneer Hoytsma wel het leven gered.’

Nu kon ik een glimlach niet weerhouden. ‘Wie weet…’

Na mij werd Ben behandeld. Hij kreeg twee hechtingen waar ik toch wel een beetje van schrok.

‘U moet rust nemen,’ zei de dokter tegen hem. ‘Waarschijnlijk hebt u een hersenschudding.’

'Daar is meer voor nodig,' antwoordde Ben. 'Ik heb een dikke, Friese schedel.'

Daarna wilde een mij onbekende inspecteur ook het een en ander van mij weten en ik hield me onnozel, alsof ik me het gevecht niet goed herinnerde. Ik zag dat Ben dit zeer amuseerde, maar die sufferd van een politieman vond het helemaal niet vreemd. Van een dame kon je kennelijk niet verwachten dat ze een helder verslag van een vechtpartij gaf. Ik merkte wel dat de inspecteur Ben met respect behandelde, alsof hij zijn meerdere was. Ze hadden ooit samengewerkt in een zaak en het was meneer Hoytsma voor en meneer Hoytsma na. Ik liep naar de keuken om koffie bij te zetten, want dat bleken politiemannen met liters te drinken. Harrie werd uiteindelijk afgevoerd in de boevenwagen.

Langzamerhand begon ik erg moe begon te worden en ik streek langs mijn voorhoofd. Het was al tegen half twee. Intussen waren de meeste agenten vertrokken om het huisje van moeder Heuvelmans uit te kammen. De inspecteur had mijn kleding met het mes meegenomen. Ik vermoedde dat de ouderwetse metalen baleinen van het korset me gered hadden. Het mes was er in eerste instantie op afgeschampt en de punt was iets verbogen. Indirect had mijn moeder me gered.

Ben kwam handenwrijvend en met een opgewekt gezicht de keuken binnen. Hij leek zijn hoofdpijn vergeten te zijn door de gesprekken met zijn ex-collega’s. ‘Hier is het nog het prettigste qua temperatuur. Het zal mij benieuwen wat ze allemaal tevoorschijn halen bij vrouw Heuvelmans.’

Ineens realiseerde ik me hoezeer ze zou schrikken. ‘Och, die arme vrouw! Ik hoop dat ze blij is dat ze van Harrie af is. Gelukkig heeft ze nog een inwonende dochter, zodat ze er niet alleen voor staat tijdens zo’n inval…’

‘Ik heb uitgelegd hoe de situatie was en ze zouden er rekening mee houden dat vrouw Heuvelmans niet betrokken is bij het dievenwerk van Harrie.’

‘Dank je wel, attent dat je daaraan gedacht hebt.’ Ik liet me op een stoel vallen en zuchtte hartgrondig. ‘Ik wil naar huis en slapen.’

Bens blik verzachtte. ‘Kom, ik breng je even.’ Hij pakte mijn hand en trok me omhoog. Nu stonden we nog dichter bij elkaar dan daarnet. Als hij me nú kuste, was het omdat hij het zelf wilde. Ik hief mijn gezicht naar hem op en keek hem aan. Zijn blik was broeierig en hij streelde met zijn hand langs mijn wang. ‘Kijk niet zo, Djemma...'

Zijn stem had weer die diepe klank die me deed beven op mijn benen en ik sloot mijn ogen. Al gauw voelde ik zijn neus tegen die van mij, terwijl hij zachtjes begon te nibbelen aan mijn onderlip. Ik ademde diep in en toen hij daarna op mijn bovenlip sabbelde, liet ik me met een kreun tegen hem aan vallen en sloeg mijn armen om zijn hals. Ik was geen ervaren kusser, maar ik deed mijn best om zijn liefkozingen met overgave te beantwoorden. Bens handen zetten me nog meer in vuur en vlam door over mijn onderrug en mijn taille te glijden, waar ze zonder korset onbeperkt toegang toe hadden.

‘Djem!’ fluisterde Ben na een tijdje ademloos, terwijl zijn mond langs mijn hals gleed. ‘Zeg dat ik moet stoppen!’

Ik zei niets omdat ik gewoon niets kón zeggen, maar na een paar minuten hield hij toch op met zoenen en trok me strak tegen zich aan, terwijl hij snel ademend zei: ‘We móéten stoppen, Gemma!’

Ik voelde zijn borst op en neer gaan en legde glimlachend mijn wang ertegenaan. Mijn hart maakte overuren, terwijl ik dromerig antwoordde: ‘Ik ben nog nooit zo gekust als vanavond…’

Ben drukte een zoen op mijn haar. ‘Dan werd het tijd.’

Ik leunde achterover en keek hem aan. ‘Waarom maak jij zoveel meer bij me los dan de mannen in dit stadje? En waarom wil jíj me hartstochtelijk kussen en zij kennelijk niet?’

Hij glimlachte een beetje. ‘Je hebt nogal een reputatie, Gemma. Eindhovense mannen zijn bang van je scherpe tong, want je straft ze genadeloos af als ze iets zeggen dat niet klopt. Daar houden mannen helemaal niet van.’

‘Bedoel je dat ik te slim voor ze ben?’ vroeg ik uitdagend, met mijn hoofd iets scheef.

‘Zo zou je het ook kunnen noemen.’ Met een toegeeflijke grijns kuste hij het puntje van mijn neus. ‘In elk geval zijn ze erg bijziend als ze jou niet willen kussen.’

‘Wat zie jij dan in mij?’ vroeg ik met half geloken oogleden en ik voelde me een enorme flirt.

‘Een vulkaan onder een laagje ijs. Met mosgroene ogen, een waterval van roodgouden haar en een prachtig figuur.' Met een spijtig gezicht liet hij me los. ‘Ik breng je naar huis, mooie Gemma Latour.’

Zijn woorden lieten mijn hart dansen, en terwijl ik naar de hal liep, deden mijn voeten mee, de nauwe laarsjes ten spijt. Ik leende nog een jas en een hoed van Sara en gaf Tobias’ oude cape zolang aan Ben, waarna we gearmd het korte stukje naar mijn eigen woning wandelden.

‘Fijn om gearmd met je te kunnen lopen, zonder dat iemand het ziet,’ bromde hij.

‘Dat weet je nooit.’ Ik vertraagde mijn pas om het wandelingetje zo lang mogelijk te laten duren. ‘Ik hoop dat niemand heeft gezien wat we op het Stratums Eind hebben gedaan.’ Ik giechelde en voelde me ineens vijftien.

‘Nu ja, mocht dat zo zijn, dan kan ik je altijd nog ten huwelijk vragen om een fatsoenlijke vrouw van je te maken,’ reageerde hij plagerig.

Ik lachte hardop. ‘Een dame van stand die met een gewezen politieman trouwt, dat kan toch helemaal niet.’

‘Nee?’ Ben keek me van opzij aan.

‘Natuurlijk niet. Wat was trouwens je rang? Die inspecteur kroop bijna over de grond voor je.’

Ben lachte zijn heerlijk diepe lachje dat ik voelde resoneren in mijn maag. ‘Ik heb hem ooit geholpen om een zaak waarin hij had geblunderd tot een goed einde te brengen.’

‘Mm… Maar wat was nou je rang? Vanmorgen zei je inspecteur, maar vanavond kreeg ik een andere indruk.’

‘Hoofdinspecteur. En toen ze me ondercommissaris wilden maken, heb ik ontslag genomen.’ We waren intussen aangekomen bij mijn voordeur.

‘Zo, meneer de ondercommissaris,’ zei ik ondanks mezelf onder de indruk. ‘Ik vrees dat we hier afscheid moeten nemen.’

‘Ik vrees het ook. Morgen kom ik naar je toe met het laatste nieuws over de zaak H.’

‘O, dat vind ik enig! Ik ben zo benieuwd naar het resultaat van onze inspanningen!’

Hij lachte. ‘Soms ben je heel schattig, Djem.’

Hij liet mijn hart zingen, deze man. Wat jammer dat we niet het gangetje in konden lopen om daar beter afscheid te nemen! Maar in gewone kleding was ik herkenbaar als Gemma Latour en die liep geen gangetjes in met heren.

‘Die cilinder staat je erg goed, meneer Hoytsma.’

‘Sara’s hoed jou helaas niet,’ was zijn antwoord.

‘Ik geloof dat jij ook van recht voor zijn raap houdt. Dat is zeker Fries?’

‘Soms niet en doorgaans wel. In die volgorde.'

Ik realiseerde me dat ik mijn gelijke had gevonden in de kunst van het aftroeven. ‘Tot morgen, knappe man,’ zei ik zachtjes en ik stak mijn huissleutel in het slot.

‘Tot morgen, schone, boven alle politiemannen verheven dame...'

Grinnikend kwam ik mijn eigen hal binnen en al gauw kwam Mieke op me af, die had zitten dommelen in de keuken.

‘Och, juffrouw, ik was zo ongerust! Wat bent u laat thuis.’

Ik realiseerde me dat ik ter plekke moest veranderen van een verliefde bakvis in een volwassen dame.

‘Inderdaad, Mieke, was maar naar bed gegaan.’ Ik voelde me schuldig en liet haar helpen me van mijn jas en hoed te ontdoen.

‘Alsof ik kon slapen, juffrouw. Zijn ze naar ons moeder gegaan?’

‘O ja, dat is waar! Het spijt me, Miek, ik hoop dat ze niet te bars tegen haar doen nu Harrie is gearresteerd.’

‘Daar ben ik blij om, om da laatste. Ons Joske heeft moeder op de drempel wa ingefluisterd, dus ze was erop voorbereid.’

Dat was niet volgens de afspraak. Maar hoe kon je het haar kwalijk nemen? Het oude mensje kon er wel in blijven als er ineens politie op de deur bonkte en zich vervolgens toegang tot haar huisje verschafte.

'Waar zijn de kleren waar u mee vertrokken bent?'

'Die heeft de politie meegenomen, morgen vertel ik je meer. Ik ben doodop.'

‘Dan zal ik u te bed brengen, juffrouw.’

Mieke liep met me mee naar boven en had me binnen een paar minuten in bed. ‘Geen korset meer aan,’ mopperde ze. ‘Dat geeft toch geen pas, juffrouw?’

Ik geeuwde. ‘Ach, waarom draag ik dat ding eigenlijk? Ik ben slank genoeg van mezelf.’

‘Maar als er dan een man tegen u aanloopt of u aanraakt, hebt u geen korset om u te beschermen.’

Inderdaad, en het was verrukkelijk!

'Dat is toch onfatsoenlijk, juffrouw Gemma!’ bleef Mieke door mopperen. In haar verontwaardiging viel ze terug op de naam uit mijn jeugd.

‘Je moet juffrouw Latour tegen me zeggen,’ geeuwde ik nog eens. ‘Ik ben volwassen.’

Mieke draaide de lamp uit en ineens voelde ik hoe ze mijn wang kuste. ‘Maar je blijft toch altijd mijn meiske.’

‘Welterusten, mama Mieke,’ mompelde ik, net als vroeger. Ik hoorde haar nog net de kamer verlaten voordat ik in slaap viel.

 

Toen ik de volgende morgen wakker werd, was het al half tien. Ik besloot op te staan om klaar te zijn als Ben met het laatste nieuws kwam. Voor de kast staand koos ik een blauwgroen mantelpak dat me nogal flatteerde. Na die vreselijke kleding van gisteravond wilde ik er weer mooi uitzien voor Ben. Op de overloop ontmoette ik Sara en we liepen de trap af naar ons ontbijt. Mieke bediende ons en vertelde dat Jos al naar hun moeder was geweest om te vragen hoe de inval van vannacht was verlopen.

‘Ze hebben van alles gevonden, juffrouw en mevrouw, en allemaal meegenomen naar het bureau.’

‘Dan moet ik daar maar gaan kijken voordat Tobias komt,’ zei Sara zorgelijk. ‘Ik hoop toch zo dat mijn broche erbij zit.’

‘Wie weet wat er allemaal bij zit. Alle andere dingen die je verloren bent, de afgelopen twee jaar.’

Sara steunde haar hoofd in haar handen. ‘Ik moet met Tobias praten en zeggen dat hij me geen luxe cadeaus meer moet geven. Met een plant zou ik net zo blij zijn. Die kunnen ook heel exclusief zijn, trouwens.’

‘Ja, en die kun je ook niet kwijt maken,’ mompelde ik, met mijn gedachten bij Ben Hoytsma. Hoe moest ik me opstellen als hij kwam? Gister was het donker en we hadden allebei de dood getrotseerd, al wist Ben dat nog niet. Dat werkte verbindend. Maar in het nuchtere ochtendlicht schaamde ik me een beetje voor wat er tussen ons gebeurd was. Hoe kon ik me zo overgeven aan intimiteiten met een man die ik nog maar een paar uur kende? Hoe moesten wij ons nu tot elkaar verhouden? Met Sara erbij konden we elkaar in elk geval niet tutoyeren. Ik begon de hele avond nog eens te doorlopen, maar werd door Sara uit mijn rêverie gehaald. ‘Wat zie je er moe uit, Gemma, heb je zo slecht geslapen?’

‘Nee, ik ben te laat naar bed gegaan.' Zou Sara bij de politie te horen krijgen wat Ben en ik hadden gedaan? Daar had ik nog helemaal niet bij stilgestaan. Het leek me het beste als ze niets van de zaak wist. Niets van het avontuur, niets van de romantiek en vooral niets van het gevaar.

‘Zeker van meneer Hoytsma gedroomd.’ Haar ogen keken me ondeugend aan over de rand van haar theekopje.

Ik voelde dat ik een kleur kreeg. ‘Hij komt ons zo ophalen om naar het bureau te gaan.’

Op dat moment ging de bel en ik raakte bijna in paniek. Onbeheerst stond ik op en snelde naar de deur.

‘Ach, laat Jos of Mieke hem toch ontvangen,’ zei Sara verbaasd.

Maar ik had de deur al opengerukt en stapte de hal in. Tegelijkertijd liet Mieke Ben Hoytsma binnen door de voordeur en ik vreesde dat mijn kleur nog dieper werd. Wat was hij knap als hij gladgeschoren was. Het blauw van zijn kostuum benadrukte ook nog eens de kleur van zijn ogen. Mijn hart klopte als een razende, maar ik trachtte gewoon te doen. 'Goedemorgen, meneer Hoytsma. U komt ons halen om naar het bureau te gaan?’

‘Inderdaad. Al vrees ik dat de door uw zuster verloren broche niet bij de buit zit.’

Mijn hand ging naar mijn keel. ‘O, dat is jammer.’ Tegen Mieke vervolgde ik: ‘Je kunt wel verder met je werk, Mieke. Meneer Hoytsma houdt zijn jas aan omdat we zo vertrekken.’ Ik wachtte tot ze de hal uit was en liet een diepe zucht ontsnappen. Gelijktijdig deden Ben en ik een stap naar elkaar toe. ‘Mijn zus mag niet weten dat ik er vannacht bij was,’ fluisterde ik. ‘Veel te spannend voor haar conditie.’

‘Dat had ik ook al bedacht. Hoe is het met je? Nog last van de steekwond?’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Vannacht een beetje, als ik erop lag. Maar nu beschermt mijn korset me tegen irritatie.’ Meteen realiseerde ik me dat ik te openhartig was. ‘O, pardon, dat was ongepast.’ Ik durfde hem niet aan te kijken.

Hij lachte zachtjes. ‘Niet zo ongepast als wat we vannacht allemaal gedaan hebben.’

Verlegen keek ik op in die prachtige ijsblauwe ogen. ‘We kunnen er nu niet over praten, maar ik wil vandaag nog eens alles doornemen wat is gebeurd. Het is net of ik het gedroomd heb en niemand kan me vertellen wat er echt is en wat niet. Behalve jij dan.’

Hij legde even een hand op mijn arm. ‘Dat is een goed idee. Maar eerst alle formaliteiten afhandelen, voordat de echtgenoot van je zuster thuiskomt.’

‘Jammer van die broche, ze zit er zo over in.’ Ik draaide even met mijn ogen.

‘Is meneer Winkelman zo’n boeman?’

‘Nee, het is een lieverd, maar ze wil hem niet voor de zoveelste keer teleurstellen. Ik ga haar even halen.’

Maar Sara kwam de hal al in. ‘Waarom roep je me niet, Gemma? We moeten voor elf uur thuis zijn, ik kan Tobias niet in een leeg huis laten thuiskomen.’

‘Laten we dan gaan.’ We lieten ons door Mieke in onze jassen helpen en wandelden daarna naar het politiebureau dat onder in het raadhuis zat, midden in de Rechtestraat. De imponerende inspecteur Van Dorsselaar ontving ons in zijn kamer waar een aantal voorwerpen op zijn tafel was uitgestald. Ben nam hem even apart. Waarschijnlijk vertelde hij de inspecteur nu dat er niet over mijn aandeel in de zaak gesproken mocht worden.

‘Mevrouw Winkelman,’ begon Van Dorsselaar toen beleefd tegen Sara en mij. ‘En juffrouw Latour, gaat u zitten en kijkt u rustig of u er iets bekends bij ziet.’

We lieten een aantal zilveren voorwerpen en gouden sieraden door onze vingers gaan.

‘Waarom verzamelde die man alles? Ik dacht dat hij het zou verkopen aan een heler,’  vroeg ik aan de inspecteur. Zou zo’n opgedraaide knevel verplicht zijn voor politiemensen? Gisteren hadden alle politiemensen bij Sara ook zo’n snor. Gelukkig had Ben er geen, zo antiek.

‘Hij zal het opgespaard hebben om alles in één keer te verkopen. Of hij heeft in korte tijd veel gestolen.’

Met een begrijpend knikje pakte ik een gouden hanger. ‘Dit ken ik... En jij, Saar?’

‘Dat is de hanger van de dochter van onze buren!’ Ze draaide het ding om. ‘Kijk, daar staat de inscriptie: ‘Voor je 21e verjaardag, 2 juli 1907.’

‘Wist je dat ze hem kwijt was?’

‘Ja, maar ze durfde het niet tegen haar ouders te vertellen. Ze zal blij zijn als ze het ding terug heeft.’

Van Dorsselaar onderbrak ons. ‘Helaas moet alles op het bureau blijven tot de verdachte berecht is. Maar dat zal niet langer dan een paar weken duren.’

Terneergeslagen zei Sara: ‘Mijn broche zit er toch niet bij. Ik geloof dat ik een paar lepeltjes herken, maar dat weet mijn huishoudster beter en ik kan ze wel een tijdje missen.’

‘Maar door het optreden van meneer Hoytsma zijn er tenminste niet meer spullen bij u thuis gestolen.’ Van Dorsselaar knikte haar eens toe.

Ik keek even naar Ben, die me een onverwacht knipoogje gaf, en voelde mijn mondhoeken omhoogtrekken. Mijn gedachten van vanmorgen ten spijt kreeg ik een bijna onweerstaanbare behoefte om in zijn armen te kruipen. Zou hij hetzelfde willen? Gisteren smeekte hij me om hem een halt toe te roepen, dat moest toch iets betekenen? Aan de andere kant, wat kenden wij elkaar nu? Vierentwintig uur. Zeer intensieve uren, maar toch. Misschien had hij voortdurend van dat soort strovuurtjes met vrouwen en was ik een van de velen. Een reden te meer om straks met hem te praten.

Met een teleurgestelde Sara liepen Ben en ik terug naar de Nieuwstraat.

‘Het spijt me dat ik u uw broche niet tijdig genoeg kon terugbezorgen,’ zei Ben toen we afscheid namen. ‘Maar het onderzoek is nog niet over. Ik ben van plan om Harrie duchtig aan de tand te voelen, vanmiddag.’

‘Dank u, ik hoop dat het wat oplevert.’ Ze klonk nogal moedeloos.

‘Sterkte, Saar. En jaag die man niet te veel de stuipen op het lijf met je grafstemming. Straks denkt hij nog dat het om je… eh, gezondheid gaat,’ maakte ik er nog net van.

Mijn zus knikte begrijpend en Ben en ik liepen verder naar de Dommelstraat, in het verlengde van de Nieuwstraat.

‘Dat laatste was een goed advies. De arme man zou zich naar schrikken als hij thuiskomt en zijn vrouw in haar conditie in zak en as vindt.’

‘En wat is haar conditie dan wel?’ vroeg ik uit de hoogte.

Hij glimlachte. ‘Ze is in blijde verwachting. Ik herken de tekenen van mijn zuster die een aantal van die lieverdjes heeft rondlopen. Vrouwen krijgen vaak een bepaalde glans in hun ogen als ze een kind verwachten, vooral bij de eerste.’

‘O... Ja, dat zal wel...'

We liepen even zwijgend verder, toen hij vroeg: ‘Vind je het verdrietig dat zij moeder zal worden en jij niet?’

Met een wrang glimlachje antwoordde ik: ‘Ik geloof niet dat ik de wieg ben gelegd voor het moederschap. Maar dat ik mijn plekje in Sara’s hart moet afstaan aan haar kind, vind ik wel enigszins verdrietig. Aan de andere kant gun ik het haar en Tobias van harte om een gezin te stichten.’

Ben kneep even in mijn hand.

Met een lichter hart liep ik verder. Het idee dat er een man – en wat voor één – in me geïnteresseerd was, gaf me een speciaal gevoel. Licht, warm en bijzonder. Uitverkoren, was het woord dat me te binnen schoot. Maar dat wist ik dus niet zeker. Toen we bij mij thuis aankwamen, nam Mieke onze jassen aan en Ben en ik liepen de salon binnen. Zodra de deur achter ons dicht was, draaide ik me naar hem om. ‘Ben!’

‘Djem,’ zei hij op dezelfde lage toon en hij sloeg zijn armen om me heen.

Met een zucht leunde ik tegen hem aan. ‘Ik heb je gemist.’

‘Wanneer? Tussen het opstaan en het uur dat ik je kwam ophalen?’ plaagde hij en bracht zijn rechterhand omhoog om met zijn duim het kuiltje onder mijn oor te strelen.

‘Nee, vanaf het moment dat ik opstond en nu, ik verlangde alsmaar naar je omhelzing.’

Het bleef even stil. ‘Waarom, Gem?’

‘Omdat ik er behoefte aan heb.’

Ik voelde dat hij nadacht, terwijl hij een losgekomen lok van mijn haar om zijn vinger draaide. ‘Gisteren zei je dat je nooit met een politieman zou kunnen trouwen. Betekent dat, dat zelfs een hoofinspecteur of commissaris beneden je waardigheid is?’

Met een zucht duwde ik me van hem af en begon door de kamer te dwalen, terwijl ik het standsverschil tussen ons probeerde uit te leggen. ‘Mijn vader en mijn grootvader waren bemiddeld. Zij hoefden niet te werken en behoorden dus tot de bezittende klasse. Ik zie me niet met een man trouwen die de kost moet verdienen. Dat past gewoon niet.’

‘Als je naar een soiree gaat of een diner, dan ontmoet je daar ook de commissaris, dus jullie verkeren in dezelfde kringen.’

Ik zuchtte weer. ‘Dat klopt, maar ik zou in aanzien dalen als ik me aan een man uit de werkende klasse zou verbinden. Of in ieder geval, aan een man die diensten moet verlenen om in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. ’

‘Je weet niet eens wat mijn achtergrond is.’

Toen ik naar Ben keek, zag ik dat hij zijn kin in een defensieve houding omhooghield. Of misschien was het eerder een beledigde houding. ‘Nu, wat is het beroep van je vader?’ Waarschijnlijk was de man schoolmeester of winkelier.

‘Dominee.’

Ik staarde hem een beetje onthutst aan. ‘Dominee? En jij bent bij de politie gegaan!’

Hij glimlachte flauwtjes. ‘Domineeskinderen zijn meestal wereldverbeteraars. Mijn zuster was verpleegster voor haar trouwen, en ik wilde altijd al bij de politie om op die manier de mensheid van dienst te zijn.’

‘Merkwaardig,’ zei ik. ‘Domineeszonen worden vaak ook dominee, dacht ik.’

‘Dat komt inderdaad veel voor. Maar meestal heeft zo’n man meerdere kinderen, en mijn broer is degene die dominee is geworden,’ antwoordde Ben niet zonder ironie en hij vroeg toen: ‘Waarom wil je dat ik je in mijn armen houdt, als je geen toekomst voor ons beiden ziet?’

‘Moet het meteen vastliggen? Kunnen we niet gewoon beleven wat er op dit moment tussen ons is? Ik weet trouwens helemaal niet met hoeveel vrouwen je dit soort “avontuurtjes” hebt.’

‘Geen een,’ antwoordde hij meteen.

‘Er zijn anders genoeg vrouwen die een avontuurtje met je willen,’ gokte ik, terwijl ik oma’s speeldoosje een aantal keren open en dicht deed voordat het kon gaan tingelen.

‘Daar kan ik weinig aan doen. Zelf heb ik er geen behoefte aan om te spelen met andermans emoties. Ik heb twee ongelukkige liefdes gehad, dat is meer dan genoeg.’ Hij klonk onwillig, alsof hij hier eigenlijk niet over wilde praten.

‘Twee?’ Ik draaide me naar hem om.

Hij aarzelde en zei toen mat: ‘Na mijn scheiding heb ik een affaire gehad met een weduwe.’

Aha, vandaar zijn terughoudendheid. ‘Een affaire.’

‘Ja, ik dacht dat ze van me hield en dat we zouden trouwen. Ik ben geen man om alleen te blijven en ik had de hoop dat ik weer gelukkig kon worden met iemand…’ Na even gezwegen te hebben, vervolgde hij moeizaam: ‘Het bleek dat ze me gebruikte om een grotere vis te vangen.’

‘O, Ben!’ Snel liep ik naar hem toe. ‘Waarom behandelen vrouwen je zo slecht?’ Ik sloeg mijn armen om hem heen en hield hem stevig vast. Wat was deze man vernederd en bedrogen door de vrouwen van wie hij hield!

Hij liet zijn hoofd in mijn hals zakken en mompelde: ‘Ja, waarom, Gemma? Waarom houd jij zo vast aan rangen en standen, terwijl je zo ongelukkig bent in het leven dat je nu leidt?’

Mijn hoofd schoot omhoog. ‘Ongelukkig?’ We keken elkaar aan en mijn hart werd verwarmd door de tedere blik in zijn ogen.

‘Ik heb je geobserveerd terwijl je bij anderen was. De eerste keer was op het huwelijksjubileum van de familie Bruning. Je stond erbij met een gezicht als azijn en als er een man wat tegen je durfde te zeggen, diende je hem van zo’n snijdende repliek dat hij gauw verderliep.’

Ik voelde me ongemakkelijk worden, omdat ik op die avond inderdaad een erg slechte bui had. Het zoveelste feest waar ik me verveelde omdat ik geen goede gesprekspartner kon vinden. ‘Waar was jij dan?’

‘Ik ben maar even binnen geweest en had me verdekt opgesteld om je gade te kunnen slaan.’

‘Waarom wilde je dat doen?’ Ik bekeek de lichte streepjes in zijn irissen die van de pupil naar de buitenste rand liepen.

Hij hield zijn neus tegen de mijne. ‘Omdat je me intrigeerde… Daarna was ik om beroepsmatige redenen bij een muziekavond waar jij ook was. Je keek alsof je in gedachten heel ergens anders was.’

Ik glimlachte betrapt. ‘Meestal fantaseer ik een heel leven bij elkaar van de gasten die ik niet ken.’

‘Je maakt de indruk in de val van je eigen leven te zitten. Je verlangt naar activiteit en geestelijke uitdaging, maar het is er niet. Deels ook omdat je een vrouw bent en er niet van je verwacht wordt dat je een eigen beroep hebt.’

Ik liet hem ineens los en begon als een gekooide tijger door de kamer te lopen. Zijn woorden hadden onverwacht een doos van Pandora in mij geopend. ‘Precies, ik had willen studeren. Ik voelde me als Aletta Jacobs die hysterie-aanvallen had toen ze aanvankelijk niet mocht studeren. Juist in de tijd dat ik jong was, hield de Latijnse school hier in de stad op. De gemeente liet het er weer eens bij zitten, want de bezittende klasse kon hun kinderen wel naar internaten sturen. Uiteindelijk hebben de paters Augustijnen het gymnasium opgericht, maar dat was voor jongens en bovendien was ik toen al achttien! Sarah en ik gingen naar het internaat bij de nonnen, maar daar kregen we geen vakken als scheikunde of natuur- en wiskunde, die ik juist had willen hebben!’ Ik gooide boos mijn armen in de lucht. ‘Op de Technische Hogeschool in Delft studeren al jaren meisjes, waarom mocht ík dat niet doen?’

‘Omdat je het niet nodig had, je zou genoeg erven om niet te hoeven werken,’ antwoordde Ben me met mijn eigen woorden.

Snel draaide ik me om. ‘Maar ik wílde het graag! Ik wil mijn hersenen ergens voor gebruiken en niet opgesloten zitten in zo’n klein stadje waar weinig te beleven is!’ Ik werd hoe langer hoe bozer.

‘Ik vind het aardig levendig hier. Er zijn veel cursussen en ook bestaan er allerlei vrouwencomités. Je zou muziekles kunnen nemen, er zijn talloze muziekuitvoeringen. Of je zou schilderlessen kunnen krijgen van een van die vooraanstaande schilders als Dimmen Gestel of Anton Kerssemakers.’

‘Die cursussen zijn meestal vooral voor mannelijke arbeiders. En ik wil niet in een of ander zoetsappig vrouwencomité zitten dat toch niet serieus wordt genomen en ik wil ook niet leren schilderen of musiceren. Ik wil onderzoeken, combineren en conclusies trekken! Ik had wetenschapper willen worden of advocaat!’ Ik ademende diep in. Wat een opluchting om dit eindelijk te kunnen zeggen! 'Omdat dat niet meer kon, wilde ik net als Louise Went woningopzichteres worden en aan sociale woningbouw doen om de mensonterende woonomstandigheden van de Eindhovense arbeiders te verbeteren, maar dat verschrikkelijk conservatieve gemeentebestuur hier, geeft me geen toestemming omdat ik een vrouw ben. En omdat ze sowieso tegen elke vernieuwing zijn,' eindigde ik bitter. 'Zelfs Philips heeft moeten uitwijken naar Strijp om grond te kunnen kopen voor de moderne arbeiderswoningen die ze nu bouwen.'

Ben sloeg me met fonkelende ogen gade. ‘Je bent